|
Karl Hendrickx
Inleiding
Binnen de taalkunde wordt meestal weinig aandacht besteed aan vaktalen. Het verschijnsel
vaktaal op zich wordt wel vaak bestudeerd, met voorbeelden uit allerlei disciplines,
maar de studie van de taal van specifieke beroepsgroepen komt meestal minder aan
bod. Eén vaktaal vormt daarop een uitzondering, de taal van de juristen en van
de overheid in het algemeen, een vaktaal die zowel in ons land als zeker internationaal,
uitgebreide aandacht krijgt. Het is zowat de enige vaktaal waarvoor een apart vak
bestaat in de beroepsopleiding. Zo krijgen artsen geen 'medische taal' en krijgen
ingenieurs geen 'ingenieursnederlands'. Toch krijgen aan de meest Vlaamse en Nederlandse
universiteiten de juristen een cursus 'juridisch Nederlands' of 'Nederlandse rechtstaal'.
Aan de universiteiten bestaan er daarvoor aparte onderzoeksgroepen en geregeld verschijnen
er taalrubrieken of soms zelfs aparte boeken over rechtstaal.
Is de taal van advocaten, rechters en politici dan zo afwijkend van onze dagelijkse
omgangstaal? Op een aantal vlakken duidelijk wel. Zo vinden veel mensen dat de taal
van het gerecht en van de overheid in het algemeen erg technisch en moeilijk toegankelijk
is. Wie weet bijvoorbeeld wat een 'bij voorraad uitvoerbaar vonnis' is? Waarschijnlijk
niemand, maar als je veroordeeld wordt tot zo'n vonnis, betekent dat wel dat je een
eventuele boete meteen moet betalen, ook al ga je in beroep. Niet meteen onbelangrijk
dus. Of wie kan er een notarisakte of een verzekeringspolis volledig begrijpen? Je
weet wel dat je een stuk grond gekocht hebt, of dat je auto verzekerd is, maar iedereen
kent ook de beruchte 'kleine lettertjes'.
Dat zorgt voor wrevel bij de mensen en stelt de overheid in een slecht daglicht.
W. Penninckx beschrijft het maatschappelijk belang van een toegankelijke overheidstaal.
Zo wordt iedere burger verondersteld de wet te kennen, maar als de wetten zo onleesbaar
of moeilijk geschreven zijn dat niemand ze nog kan begrijpen zonder hulp van een
advocaat, dan is het duidelijk dat de rechtszekerheid in onze samenleving geschaad
is: mensen kunnen dan immers niet meer weten welke voorschriften ze moeten volgen.
Bovendien ontstaat het risico dat alleen hoog opgeleide mensen of mensen die rijk
genoeg zijn om gespecialiseerde hulp zoals een advocaat te betalen, de wetten nog
kunnen vatten. Dat maakt onze overheid minder democratisch. En tot slot heeft het
taalgebruik van de overheid een belangrijke modelfunctie waarop mensen hun eigen
taalgebruik gaan afstemmen. Als de overheid dus respect wil tonen voor zoiets belangrijks
als de eigen taal, dan doet ze dat het best door die taal zelf goed te gebruiken.
1
De recente moeilijkheden rond justitie en de affaire-Dutroux hebben trouwens aangetoond
dat magistraten dringend wat beter moeten leren communiceren met de buitenwereld.
Als ze er beter in slagen de mensen duidelijk te maken hoe het systeem werkt, zullen
veel vooroordelen en onbegrip verdwijnen. Prof. Luc Huyse beschreef het zo in De
Standaard: "We debatteren maanden over de nieuwe spelling, over hoe men 'kousevoeten'
schrijft. Of 'zoöloog'. Ondertussen corresponderen rechter en advocaten met
de vierde wereld in een taal die zij en zij alleen begrijpen (...) De minister van
Justitie kan nog jarenlang grootse hervormingen plannen, het zal niet helpen. Eerst
moeten de mensen van het recht weer naar school. Om te leren praten.' 2
.
Op die ontoegankelijkheid van de juridische taal wil dit artikel nader ingaan door
een overzicht te geven van enkele belangrijke kenmerken van rechtstaal in het algemeen
en de Nederlandse rechtstaal in België in het bijzonder. We bespreken daarvoor
achtereenvolgens (2) rechtstaal als vaktaal, (3) de algemene kenmerken van rechtstaal,
(4) enkele verklaringen voor de ontoegankelijkheid en tot slot (5) de specifieke
situatie in België. We beginnen echter met het belang van taal te schetsen voor
de wereld van het recht (1).
Het belang van taal binnen het recht
Dat de rechtstaal een aparte plaats inneemt onder de vaktalen, kan verklaard
worden aan de hand van de openingszin van het standaardwerk over de Engelse rechtstaal,
geschreven door David Mellinkoff. Die schreef in 1963 als eerste zin van zijn boek
The Language of the Law 'Law is a profession of words'. 3
Die zin is sindsdien
bekend geworden in de juridische wereld en hij vat de situatie ook bijzonder goed
samen: het hele juridische en wetgevende systeem bestaat maar in en door de taal.
De juridische structuur om de orde in de maatschappij te handhaven, is gebaseerd
op afspraken die vastgelegd zijn in wetten, maar die wetten en afspraken bestaan
louter en alleen in taal. J. Gibbons concludeert dan ook: 'taal staat centraal bij
de wet; en de wet zoals wij hem kennen is ondenkbaar zonder taal'. 4
Alle conflicten, processen enzovoort worden allemaal gevoerd via de taal. Terwijl
de medische wereld ook medische apparatuur en medicijnen ter beschikking heeft, is
het voornaamste wapen van de jurist zijn taal. Dat geldt zowel voor zijn begripsvermogen
om een talige verwoording van een conflict te begrijpen, als voor zijn actieve taalbeheersing
om een bepaald conflict uit te leggen. Bovendien kan een jurist een enorm effect
bereiken door zijn taal: door de verwoording en beoordeling van feiten kunnen advocaten
en magistraten mensen vrijspreken of veroordelen tot gevangenisstraffen. Taal krijgt
daardoor binnen het recht een bijna magisch karakter, zoals ook prof. mr. J. M. Van
Dunné schreef in zijn toepasselijk getitelde boek De magie van het woord. Juristen
en hun omgang met teksten: 'De juristen vormen een groep die bij het hanteren van
woorden maatschappelijk ingrijpende, direct werkende gevolgen teweeg brengen: op
een juristenwoord gaan deuren open of dicht, van gevangenissen, fabrieken of kluizen.'
5
Het is dus niet verwonderlijk dat juristen en taalkundigen de juridische vaktaal
bijzondere aandacht geven. Er is echter nog een andere belangrijke reden waarom rechtstaal
een aparte plaats inneemt binnen de studie van de vaktalen. Het is immers ook de
vaktaal die, samen met de medische, het meeste kritiek krijgt voor haar moeilijke
karakter, haar groot aantal technische vaktermen en haar ingewikkelde manier van
formuleren. Rechtstaal moet immers ook toegankelijk zijn voor iedereen, aangezien
de wet en het recht voor iedereen geldt. Hoe de rechtstaal toegankelijker maken,
is een topic van veel over en weer geschrijf tussen voorstanders van een eenvoudige,
duidelijke taal en tegenstanders die zeggen dat dat door het speciale karakter van
het recht niet mogelijk is. Op die spanning gaan we nu even nader in door rechtstaal
te omschrijven als vaktaal en de belangrijkste kenmerken ervan te bespreken.
Rechtstaal als vaktaal
De Grote Van Dale omschrijft 'vaktaal' als 'terminologie die eigen is aan een
bepaald vak of beroep, syn. jargon.' Rechtstaal zou je zo kunnen omschrijven als
de 'terminologie van de juristen'. Daarmee is echter niet alles gezegd. Er zijn meer
factoren die een rol spelen in de omschrijving van een vaktaal, en van rechtstaal
in het bijzonder. We zullen ook zien dat rechtstaal op enkele vlakken aanzienlijk
afwijkt van een normale vaktaal.
Een vaktaal wordt meestal omschreven op basis van pragmatisch-semantische gronden.
Daarmee wordt bedoeld dat men kijkt naar de situaties waarin de taal gebruikt wordt
(pragmatiek is de studie van het taalgebruik) en de betekenissen die door de vaktaal
worden uitgedrukt (semantiek is de studie van woordbetekenissen). Op die manier worden
vaak drie grote criteria onderscheiden: (1) wie gebruikt de taal? (2) wat wordt er
met de taal gezegd? (3) waar en met wie wordt de vaktaal gebruikt. 6
Een klassieke vaktaal vult die drie criteria snel en eenvoudig in: een vaktaal wordt
gebruikt door en voor vakspecialisten om over hun eigen kleine, afgebakende vak te
spreken. Bij rechtstaal zit het echter gecompliceerder in elkaar: rechtstaal wordt
inderdaad door de vakspecialisten, de juristen, gebruikt. Ze gebruiken die taal echter
om over zowat alles in de werkelijkheid te spreken. Het recht beperkt zich immers
niet tot een klein afgebakend geheel van de werkelijkheid, zoals een andere wetenschappelijke
discipline, maar maakt regels over zowat alle aspecten van het menselijke leven.
Aan de ene kant zal het recht dus technische vaktermen nodig hebben, die aan de andere
kant toch heel veel gebieden en onderwerpen moeten kunnen bestrijken. Dat vormt al
een eerste probleemgebied. Bovendien is rechtstaal in veel gevallen niet uitsluitend
gericht tot vakspecialisten (het zgn. 'vakintern' gebruik van de vaktaal). In het
merendeel van de gevallen is de uiteindelijke bestemmeling een niet-jurist, een leek.
De taal wordt dus vaak vakextern gebruikt.
Rechtstaal moet met andere woorden tegelijk technisch zijn vanwege de inhoud, en
toch toegankelijk voor een breed publiek. Dat conflict vormt een van de belangrijkste
onderwerpen in de studie van rechtstaal.
Welke kenmerken maken die taal dan zo ontoegankelijk voor een breed publiek? Daarop
gaan we nu nader in.
Kenmerken van rechtstaal
Uiteraard is het meest bekende en opvallende aspect van de rechtstaal - zoals
trouwens van iedere vaktaal - het eigen vakjargon, de eigen vaktermen. Uitdrukkingen
als 'uitspraak op tegenspraak', 'uitvoerbaar bij voorraad', 'grosse', 'minuut', 'geïntimeerde',
'kantonnement' zullen maar weinig mensen die geen rechten gestudeerd hebben, begrijpen.
Die vaktermen zijn dus één van de belangrijkste redenen voor de ontoegankelijkheid
van de rechtstaal, maar ze zijn tegelijk ook het moeilijkste te veranderen. Een term
als 'kantonnement' heeft zo'n specifieke inhoud dat je hem niet makkelijk kunt vervangen
door een ander woord, en om de term te omschrijven, zou je een halve bladzijde nodig
hebben.
Er zijn echter nog verschillende andere kenmerken, die minder opvallen, maar zeker
zoveel bijdragen tot de moeilijkheidsgraad van juridische teksten. Die kenmerken
gelden trouwens niet alleen voor het Nederlands; we vinden ze in de juridische variant
van de meeste talen terug. We bespreken kort de belangrijkste en baseren ons daarbij
op D. Mellinkoff 7
en A. Maes 8
. Eerst enkele kenmerken van de gebruikte woordenschat:
Juristen gebruiken graag verouderde en formele woorden, zoals 'derhalve' in plaats
van 'daarom' of 'dienomtrent' in plaats van 'daarover'; ze gebruiken met andere woorden
graag 'stadhuistaal'. Dat past uiteraard bij de belangrijkheid van hun functie, maar
sommigen beschuldigen hen ervan om dat kunstmatig te doen om zo respect en gezag
af te dwingen.
Ook Latijnse en Franse woorden zijn heel populair, zoals 'contradictoir' (als beide
partijen hun versie van de feiten geven), 'bevoegdheid ratione materiae' (bevoegdheid
over de grond van de zaak). Dat komt uiteraard doordat het Romeinse recht de basis
van ons rechtssysteem vormt en doordat het Frans lang de toonaangevende taal in de
juridische en diplomatieke wereld is geweest. Zeker voor het Nederlands in België
vormt dat een probleem. Daar komen we verder nog op terug.
Naast de specifieke vaktermen komen ook vaak opvallend vage woorden voor: wat is
immers juist 'het algemeen welzijn' of wat houdt 'ervoor zorgen als een goede huisvader'
nu in? Dit type termen maakt de taal niet zozeer ontoegankelijk, maar ze maakt
de juiste betekenisinhoud onduidelijk. Dat is ook met opzet zo gedaan, opdat rechters
en advocaten wat 'speling' zouden hebben om de wet wat losser toe te passen.
Daarnaast wijken ook de zinsconstructies vaak af van gewone taal:
Juristen gebruiken graag passieven en zelfstandige naamwoorden. Zeker dat laatste
is uitgegroeid tot een echte naamwoordstijl. In plaats van te zeggen 'De politie
stelt de overtreding vast en de rechter bepaalt daarna de boete' zetten juristen
graag de werkwoorden om in naamwoorden, gecombineerd met een passief werkwoord. Dat
geeft als resultaat: 'De vaststelling van de overtreding gebeurt door de politie
en de bepaling van de boete door de rechter.' Daarmee proberen juristen hun stijl
minder persoonlijk te laten overkomen, meer alsof het gaat over een 'algemeen aanvaarde
en vaststaande waarheid', maar tegelijk worden hun teksten daardoor ook moeilijker
leesbaar.
Hetzelfde geldt voor het gebruik van lange zinnen met veel bijzinnen, waarbij vaak
eerst een lange aanloop komt voordat de kern van de zin in een kleine hoofdzin op
het einde staat. Het meest bekende voorbeeld daarvan is de 'overwegende'-stijl waarin
vonnissen geschreven zijn. Nadat je vijf keer 'overwegende dat' gelezen hebt met
een ellenlange uiteenzetting van argumenten, kom je aan het einde van de bladzijde
eindelijk bij de uitspraak, die vaak een heel klein zinnetje is: 'Overwegende dat
de beweringen van verweerster met betrekking tot de telefonische contacten tussen
partijen op grond waarvan in gemeen akkoord tot de annulering van de tot stand gekomen
overeenkomst werd besloten, bezwaarlijk kunnen worden aanvaard'.
Tot slot zijn juristen graag extreem precies in hun teksten. Ze gebruiken daarom
liever geen gewone verwijzingswoorden zoals 'hij' of 'die', maar herhalen telkens
het volledige woord. Daarmee proberen ze alle dubbelzinnigheid te voorkomen, ook
al is dat soms helemaal niet nodig. Je krijgt zinnen van het type: 'De beklaagde
heeft aan de burgerlijke partij schade berokkend omdat de beklaagde de burgerlijke
partij bedreigd en ook mishandeld heeft. Daarom is de beklaagde gedagvaard door het
parket en moet de beklaagde terechtstaan.' Men herhaalt dus liever telkens 'beklaagde',
omdat het anders onduidelijk zou kunnen worden wie met 'hij' of 'zij' bedoeld is.
Verklaringen voor de ontoegankelijkheid
Hoe kunnen die kenmerken nu verklaard worden? Waarom kan men in juridische zaken
niet net zo helder en eenvoudig schrijven als in algemene teksten? De verklaringen
van juristen zijn genoegzaam bekend. We proberen ze telkens vanuit een taalkundig
oogpunt aan te vullen of te beoordelen.
Wetteksten zijn zodanig ingewikkeld dat ze specifieke vaktermen vragen en niet in
eenvoudige zinnen uitgelegd kunnen worden. Wetten moeten immers het hele maatschappelijke
leven proberen te volgen, en door de spectaculaire toename van de menselijke kennis
en technologie, moeten ook wetten steeds ingewikkelder en technischer worden. Milieuwetgeving
en wetgeving rond computertechnologie zijn daarvan een goed voorbeeld. Deze visie
is zeker correct, en waarschijnlijk kunnen daardoor vele technische termen inderdaad
niet zomaar vervangen worden. Maar de aandacht voor eenvoudige zinsconstructies en
een heldere structuur mag daardoor niet verdwijnen of verwaarloosd worden. Er is
immers geen reden waarom je geen moeilijke onderwerpen toch in eenvoudige(re) zinnen
zou kunnen uitleggen.
Wetteksten zijn bovendien vaak al heel oud. Ze zijn dus geschreven in een verouderde
taal, maar heel wat nieuwe wetteksten baseren zich op die oude teksten of wijzigen
ze. Ze moeten daarom dezelfde formuleringen hanteren, waardoor de rechtstaal uiteindelijk
heel weinig kan moderniseren. Het eerste stuk van deze visie is ongetwijfeld voor
een groot deel correct. De grote basiswetboeken zijn inderdaad meestal al erg oud.
Het Burgerlijk Wetboek is zo opgesteld in 1804, het Strafwetboek in 1867. Uiteraard
moeten afgeleide bepalingen de basisterminologie overnemen, maar dat wil niet zeggen
dat ze ook in een even ouderwetse stijl moeten schrijven. Bovendien worden sommige
wetboeken op een gegeven moment volledig gemoderniseerd. Zo werd het huidige Gerechtelijk
Wetboek pas in 1967 opgesteld en werd ook het Strafwetboek onlangs helemaal bijgewerkt
(de bekende wet-Franchimont, die pas van kracht is). Dat is uiteraard een heel omvangrijk
en secuur werkje, maar daarbij zou men ook van de gelegenheid gebruik moeten maken
om de taal helemaal te vernieuwen. De wet staat zelfs toe dat als men verschillende,
samenhorende wetten bij elkaar voegt of op elkaar afstemt (het coördineren van
wetten), men de formulering stilzwijgend mag aanpassen als dat de inhoud niet wijzigt.
Ook van die mogelijkheid zou meer gebruik gemaakt kunnen worden. Het is dus niet
zo dat nieuwe wetteksten automatisch in een ouderwetse taal zouden moeten worden
geschreven.
Modernisering van de rechtstaal zou de rechtsgeldigheid in het gedrang brengen. Als
een rechter immers plots van de bestaande terminologie zou afwijken, zou zijn vonnis
wel eens verworpen kunnen worden in hoger beroep of cassatie. Een bekend voorbeeld
hiervan gebeurde in Nederland. Daar had een procureur immers iemand beschuldigd van
het 'vernielen' van een ruit. Die term komt echter niet voor in de Nederlandse wetgeving
en de zaak belandde uiteindelijk voor het Nederlandse hof van cassatie, de Hoge Raad.
Die vond dat 'vernielen' te onduidelijk was, omdat het niet voldoende impliceerde
dat de handeling 'met opzet' gebeurd was.9
Gelukkig mocht de term 'stelen' wel
gebruikt worden in plaats van het ouderwetse 'wederrechtelijk toe-eigenen', maar
ook daaraan was een hele lijdensweg voorafgegaan van processen over en weer tot bij
de Hoge Raad. 10
Zomaar gaan wijzigingen aan bestaande wetteksten kan uiteraard
niet. Daaruit blijkt nog maar eens het belang van formulering en taal in wetteksten.
Anderzijds kan je je wel afvragen of rechters in het geheel geen rekening mogen houden
met het normale spraakgebruik van elke dag. Iedereen weet tenslotte wat 'diefstal'
en 'vernielen' betekent, het woordenboek is er desnoods om dat te controleren. Dan
lijkt het toch normaal dat die woorden in hun algemeen-aanvaarde betekenis gebruikt
kunnen worden.
Tot slot hoor je sommige juristen en magistraten wel eens beweren dat het recht een
zodanig belangrijke en 'verheven' maatschappelijke instelling is, dat het recht heeft
op een aparte, 'verheven' stijl die past bij het sacrale karakter ervan. Tegenstanders
vertalen dit als een opzettelijke moeilijkdoenerij om zichzelf gezag en respect te
bezorgen en zo de sfeer van een club van ingewijden te behouden. Uiteraard behoren
juridische teksten tot de meer formele taalregisters en kunnen zij dus niet in dagelijkse
spreektaal geschreven worden, maar dat wil niet zeggen dat een formele, zakelijke
stijl niet duidelijk kan zijn. Als men teksten van verschillende gerechtshoven naast
elkaar legt, ziet men dat meteen: zo schrijft het Hof van Cassatie bijvoorbeeld in
de traditionele, zware stijl die het al 150 jaar gebruikt en die zelfs voor juristen
erg moeilijk te lezen is. Het Arbitragehof daarentegen, dat toch minstens zoveel
prestige en gezag heeft, schrijft in een veel modernere, meer nog steeds formeel-zakelijke
stijl. Dat het Arbitragehof pas in de jaren '80 is opgericht, zal daar waarschijnlijk
niet vreemd aan zijn, maar het bewijst dat de band traditionele taal - prestige niet
zo strak is als sommigen beweren.
Hoe belangrijk en verregaand de rol van een toegankelijke rechts- en overheidstaal
is, wordt treffend verwoord door Willy Penninckx, gewezen hoofd van de Nederlandse
vertaaldienst van de Europese Unie, die we al aanhaalden in de inleiding. Hij benadrukt
dat het gaat over meer dan makkelijke en vlotte leesbaarheid. Aangezien wetten uiteindelijk
voor de hele bevolking gelden, is het in de eerste plaats een kwestie van rechtszekerheid
dat ook zoveel mogelijk mensen zoveel mogelijk wetten kunnen begrijpen (dat 'iedereen
de wet moet kennen' is een utopie). Zo kunnen de burgers immers begrijpen dat ze
door de wetten ook beschermd worden in plaats van bedreigd te worden door een onverstaanbare
massa regels. Bovendien is het ook een essentieel onderdeel van onze democratie dat
overheidsteksten voor zoveel mogelijk burgers toegankelijk zijn. Anders ontstaat
er een discriminatie tussen mensen met voldoende kennis (of geld om zich die kennis
te laten bezorgen) en mensen die die middelen niet hebben. Tot slot hebben overheidsteksten
een belangrijke imagofunctie: ze bepalen immers mee het beeld dat de burgers krijgen
van de overheid. Vlotte en duidelijke communicatie kan dat beeld alleen maar positief
beïnvloeden. 11
De situatie in België
De situatie van de Nederlandse rechtstaal in België is op een aantal punten
bijzonder. Zowel de studie als de ontwikkeling van de Nederlandse rechtstaal staan
minder ver dan in de ons omringende landen. De verklaring daarvoor ligt uiteraard
in de historische evolutie die ons land gekend heeft.
De Nederlandstalige rechtstaal in België bestaat immers nog maar een goede eeuw,
en is pas ten volle tot ontwikkeling gekomen na de Tweede Wereldoorlog. Daarvoor
was het Frans de belangrijkste voertaal in de gerechtelijke wereld. Het is dus niet
verwonderlijk dat de rechtstaal een zeer grote invloed van het Frans ondergaan heeft.
Dat is ook het geval voor de rechtstaal in Nederland, maar wel op een andere manier.
Terwijl de Nederlandse rechtstaal ook in grote mate op de Franse is gebouwd, vooral
na de invoering van de Napoleontische wetgeving aan het begin van de negentiende
eeuw, heeft ze zich daarna onafhankelijk kunnen ontwikkelen. Het resultaat is dat
de rechtstaal in Nederland wel veel Franse technische termen bevat - meer zelfs dan
de rechtstaal in Vlaanderen - maar dat er veel minder 'letterlijke vertalingen' uit
het Frans overgenomen zijn en dat ook de zinsstructuren volledig Nederlands zijn.
Zo zullen de Nederlanders wel termen als 'rekwirant' of 'gelaedeerde' gebruiken,
waar wij respectievelijk 'eiser' en 'benadeelde' gebruiken, maar je zult in Nederland
niemand horen zeggen 'het besluit dat ik de eer heb u voor te leggen', letterlijk
vertaald van 'l'arrêté que j'ai l'honneur de vous présenter', een
constructie die je vaak in tweetalige wetteksten in België tegenkomt.
De beruchte gallicismen, die in de Vlaamse variant van het Nederlands sowieso al
meer voorkomen dan in de Nederlandse, zijn het meest merkbaar in de juridische taal:
'aanhoudingsmandaat' (mandat d'arrêt) voor 'arrestatiebevel', 'weerhouden' in
de betekenis van 'aanvaarden' (retenir), argumenten 'inroepen' in plaats van 'aanvoeren',
'de onderzoeksrechter is gevat' (a été saisi) in plaats van 'werd verzocht',
'de onderzoeksrechter stapt af ter plaatse' (descend sur les lieux) voor 'gaat ter
plaatse op onderzoek'. De voorbeelden zijn ontelbaar. Stilaan verdwijnen sommigen
van deze uitdrukkingen wel weer (het 'afstappen ter plaatse' bijvoorbeeld), anderen
lijken zich echter volledig in te burgeren in de Vlaamse variant van het Nederlands:
'inroepen', 'voorzien' (voor 'regelen') en 'afleveren' (bijvoorbeeld van diploma's) zijn goede
voorbeelden. 12
Zoals we al zeiden, ligt de verklaring voor de grote Franse invloed enerzijds in
het prestige van het Frans als juridische taal in heel Europa (vandaar ook de invloed
in Nederland) en specifiek in de Franstalige overheersing in België in de negentiende
eeuw. Op dat laatste gaan we even nader in.
De juridische wereld was een van de laatste bastions van volledige Franstaligheid;
de vernederlandsing ervan kwam opvallend laat op gang. Tussen 1830 en 1898 was er
eigenlijk een volledig Franstalige justitie. Op basis van de taalvrijheid die in
de Grondwet was vastgelegd, 'koos' de Belgische overheid als taal het Frans. Vanaf
1845 verschenen er wel vertalingen van wetteksten, maar die stonden niet in het Staatsblad
en hadden ook geen enkele rechtskracht, ze mochten met andere woorden niet gebruikt worden in
de procesvoering. Het heeft geduurd tot de zogenoemde 'Gelijkheidswet', opgesteld
door de Kamerleden Cooremans en De Vriendt, in 1898 voor elke wettekst officieel
in de twee landstalen gepubliceerd werd in het Staatsblad, met dezelfde rechtskracht.
Dat betekende echter niet meteen dat er van alle wetboeken een Nederlandse vertaling
beschikbaar was: de grote wetboeken, zoals we eerder al vermeldden, waren opgesteld
in de negentiende eeuw en hadden dus geen vertaling. Daarvoor richtte de Belgische
regering in 1923 een 'Commissie tot vertaling van de wetboeken' op, onder leiding
van de Leuvense hoogleraar Emile van Dievoet. Zij begonnen aan het titanenwerk van
de 'vertaling' van alle grote wetboeken. Het werk kwam in het begin vrij traag op
gang en werd door de Tweede Wereldoorlog helemaal onmogelijk gemaakt. Na de Tweede
Wereldoorlog werd de commissie heropgericht, dit keer niet om een vertaling te maken
maar om een volledig gelijkwaardige Nederlandstalige versie van de wetboeken op te
stellen.13
Het is voornamelijk het zeer gedegen werk van deze commissie dat de
Nederlandse rechtstaal in België 'geschapen' heeft. De terminologie en formulering
die zij koos, zou immers de basis vormen voor alle afgeleide wetteksten en procedures.
Het belang van het werk van de commissie van Dievoet, later bijgestaan door de Centrale
Commissie voor Rechts- en bestuurstaal, mag dus niet worden onderschat, maar tegelijk
wijst de periode van hun werkzaamheden - jaren '50 en '60 van deze eeuw - erop hoe
jong de officiële Nederlandse rechtstaal in België nog maar is. Zo duurde
het bijvoorbeeld tot 1967 voor ons land een officiële Nederlandstalige Grondwet
kreeg! Bovendien zijn verschillende zeer oude wetteksten nog steeds niet officieel
vertaald.
De commissie besloot in haar werkzaamheden zo veel mogelijk aansluiting te zoeken
bij de Nederlandse terminologie, waar mogelijk, en verder ook vreemde woorden te
vervangen door Nederlandse equivalenten. Dat verklaart waarom termen als 'enquête',
'dispensatie', 'gratie' en 'privilegie' uit het Nederlandse recht vervangen werden
door 'onderzoek', 'vrijstelling', 'genade' en 'voorrecht'.14
Een gelukkige evolutie,
die echter door sommige mensen wat overdreven werd. Dat leverde het tegendeel van
gallicismen op, namelijk 'purismen', woorden die men ging verzinnen om een Frans
woord te vervangen, maar die niet algemeen gangbaar zijn geworden. Naast de bekende
'geldbeugel' en het 'regenscherm' in de omgangstaal vinden we in de rechtstaal grappige
voorbeelden als 'getuige ter ontlasting' voor het in het Nederlands gebruikelijke
'getuige à décharge'.
Uiteraard kon de commissie echter niet alle invloed zomaar uit de wereld helpen.
Vele wetteksten waren sinds 1898 in slecht Nederlands afgekondigd, veel teksten bleven
dagelijks vertaald worden, waarbij de algemene opinie vaak bleef dat Nederlands overeenkwam
met 'vertaald Frans'. Ook de rol van het Frans in procesgang was hierbij erg belangrijk.
Pas in 1935 kwam er de zogenoemde 'wet-Marck' die het taalgebruik in rechtszaken
volledig regelde. Dat, samen met anderen factoren zoals de laattijdige vernederlandsing
van de universiteit van Leuven (1968), zorgden ervoor dat de voertaal onder juristen
heel vaak erg Fransgekleurd bleef. Oudere advocaten schrijven elkaar soms nu nog
aan met 'cher confrère' terwijl de rest van hun brief in het Nederlands is.
Conclusie
Binnen de vaktalen neemt de rechtstaal een bijzondere plaats in, zeker de Nederlandse
rechtstaal in België. Terwijl gewone vaktalen meestal gebruikt worden door en
voor vakspecialisten om over hun specifieke vakgebied te spreken, moet de juridische
taal met een gespecialiseerd vakjargon kunnen spreken over alle facetten van ons
dagelijks leven, en is ze bovendien vaak gericht tot leken. Dat zorgt voor problemen
van toegankelijkheid en begrijpelijkheid. Die worden nog vergroot door de speciale
rol die traditie speelt in het rechtssysteem: wetten en juridische teksten bouwen
op elkaar voort en houden zo de normale taalevolutie tegen. Modernisering zou bovendien
juridische ongeldigheid kunnen veroorzaken en daardoor de rechtszekerheid, een fundamentele
pijler in onze democratie, kunnen aantasten. Specifiek in België worden de afwijkingen
van de normale spreektaal nog vergroot door de historische invloed die het Frans
gespeeld heeft.
Geraadpleegde literatuur
1 W. Penninckx, Duidelijk Nederlands in de regelgeving. Brussel: Ministerie
van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Permanente Vorming: Volwassenenonderwijs,
1996.
2 L. Huyse, in: De Standaard, 19 december 1996.
3 D. Mellinkoff, The Language of the Law. Boston-Toronto: Little, Brown and Company,
1987 (1963), p.vii.
4 J. Gibbons, 'Language constructing law', in: J. Gibbons (ed.), Language and the
Law. London and New York: Longman, 1994, p.3.
5 J. M. Van Dunné, De magie van het woord. Juristen en hun omgang met teksten.
Arnhem: Gouda Quint, 1987, p.8-9.
6 J. V. Redel en Y. Stemmerik, Overheidsterminologie. Een rapport geschreven in
opdracht van de Nederlandse Taalunie en de Commissie voor Lexicografische Vertaalvoorzieningen.
Amsterdam: Vrije Universiteit, 1995, p.4.
7 D. Mellinkoff, The Language of the Law. Boston-Toronto: Little, Brown and Company,
1987 (1963), p. 11-32.
8 A. Maes, 'Juridische communicatie jurist-leek', in: J. Kolkhuis Tanke, C. Korswagen,
St. Verrept (eds)., Handboek taalhantering. Praktische communicatiegids voor bedrijf,
instelling en overheid. Deventer: Van Loghum Slaterus, deel II.12 (aflevering 9,
1986).
9 B. Duynstee en Ch. Polak, 'Het alles-voor-de-punt-syndroom. Hoge Raad huivert
voor gewoon Nederlands', in: Onze taal, 64 (1995), p. 303-305.
10 B. Hubo, 'Wederrechtelijke toeëigening voortaan diefstal', in: De Standaard,
27 juli 1994.
11 een goed overzicht is te vinden in: W. Penninckx en P. Buyse, Correct taalgebruik.
Zesde bijgewerkte druk. Kortrijk-Heule: UGA, 1997.
12 H. Brouckaert, 'De schepen, de wethouder en de Taalunie', in: Taalbeheersing
in de praktijk, 33 (1994), p. 99-105.
13 zie daarover o.m. E. van Dievoet, De Nederlandse tekst van de Belgische Wetboeken,
Brussel: Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren
en Schone Kunsten, 1964; G. Van Dievoet, 'De commissie tot vertaling van de wetboeken
(1917-1918)', in: Taalbeheersing, 33 (1994), 3, p. 67-73; G. Van Dievoet, 'De Staatscommissie
tot vertaling van de Belgische wetboeken, wetten en besluiten (1923-1954)', in: Taalbeheersing,
34 (1995), 3, p.75-82.
|